Johnny Visser van de businessunit Open Teelten van Wageningen University & Research merkt op dat het moeilijk is om wortelen te telen zonder schade door plantparasitaire aaltjes. ‘Toch kan de plaagdruk worden verminderd, vooral door slimme keuzes te maken in de rotatie.’
Wortelknobbelaaltjes, wortellesieaaltjes, stengelaaltjes en vrijlevende aaltjes komen vaak voor op percelen met peen en kunnen aanzienlijke schade aanrichten, aldus Visser. Vorige week was hij uitgenodigd om tijdens de Themadag Peen van de Landbouwbeurs Noord- en Centraal-Nederland in Emmeloord, Flevoland, te spreken over hoe peen geteeld kan worden zonder schade door aaltjes.
Volgens Visser is het beheersen van aaltjes in wortelen een uitdagende taak en is volledige bestrijding met de huidige middelen onhaalbaar. “Dit komt deels doordat aaltjes wortelen vaak lekker vinden en omdat er veel verschillende soorten aaltjes in het gewas voorkomen,” aldus de onderzoeker. Aaltjes veroorzaken in wortelen onder andere misvormingen, afgestompte wortels, vertakte pennen en vlekken en bobbeltjes op de schil van de wortel.
In Emmeloord behandelt Visser de mogelijkheden van een systematische aanpak tegen aaltjes in peen, gebaseerd op de pijlers van het Integrated Crop Management (ICM)-schema. Het is cruciaal dat peentelers eerst vaststellen welke aaltjes hun gewassen aantasten. Dit kan door grondmonsters te laten analyseren, schade van eerdere oogsten te beoordelen, of een biotoets uit te voeren met gevoelige gewassen.
Belangrijkste pijler
De eerste pijler in het beheersingsschema is het toepassen van gewasrotatie of gewasdiversiteit in zowel ruimte als tijd. Dit vormt de essentie in de strijd tegen aaltjes, legt de onderzoeker uit. ‘Bij peen komen vaak polyfage aaltjessoorten voor, wat inhoudt dat ze veel verschillende waardplanten hebben. Dit betekent dat het uitbreiden van het bouwplan meestal niet erg effectief is. Het is echter cruciaal om een niet-waardplant als voorvrucht te kiezen voor de teelt van peen, zodat er met een lage plaagdruk kan worden gestart.’
Peentelers kunnen het aaltjesschema op de Best4Soil-website raadplegen om geschikte voorvruchten te kiezen. Dit schema geeft per aaltjessoort aan welke gewassen het meeste risico lopen op schade en op welke gewassen de populaties toenemen of juist afnemen. Naast de gebruikelijke akkerbouwgewassen is de keuze van groenbemesters voor peentelers cruciaal voor een effectieve beheersingsstrategie.
Voor de wortelknobbelaaltjes Meloidogyne (M.) chitwoodi en M. fallax toont Visser met het aaltjesschema aan dat aardappelen en suikerbieten ongunstige voorvruchten zijn. Hij merkt op dat er tegenwoordig resistente suikerbietrassen beschikbaar zijn die de druk van dit soort aaltjes aanzienlijk verminderen. De populatie van M. hapla daalt aanzienlijk, waardoor de kans op schade in peen afneemt wanneer er vooraf grassen of granen worden geteeld.
Schade op zand
Alle akkerbouwgewassen dienen als goede waardplanten voor Pratylenchus penetrans. Suikerbieten lijken relatief gunstig voor de vermeerdering, maar het is uitdagend om de druk van dit wortellesieaaltje laag te houden binnen de rotatie. Dit geldt ook voor de vrijlevende aaltjes, bekend als trichodoriden. Deze groep omvat veel soorten die met name schade veroorzaken op zandgrond. Over de waardplantstatus is doorgaans nog weinig bekend.
Visser benadrukt het belang van de juiste groenbemester in verband met aaltjes. Hij geeft als voorbeeld dat de druk van M. chitwoodi kan worden verminderd door vóór de teelt van peen bladrammenas te zaaien. Gele mosterd heeft een minder gunstig effect. Japanse haver daarentegen kan juist leiden tot een toename van dit probleemaaltje. ‘Voor Pratylenchus penetrans is tagetes een uitstekend vanggewas, mits het voor augustus wordt gezaaid’, aldus de onderzoeker.
In het ICM-schema vormen rassenkeuze en teeltmethode de tweede pijler. Voor rassen biedt peen momenteel nog geen oplossingen, omdat er geen bekende resistenties zijn en deze dus ook niet kunnen worden ingekruist. Binnen de teelt kan het uitstellen van het zaaimoment met één tot anderhalve maand leiden tot minder aantastingen in peen. Visser presenteert onderzoeksresultaten met M.fallax en drie verschillende zaaidata van half april tot begin juni. Soms zorgen hogere zaaidichtheden voor minder schade bij trichodoriden.
Onvoldoende betrouwbaarheid
De derde pijler van bodembeheer biedt volgens Visser weinig concrete richtlijnen voor de peenteler. Het toevoegen van compost acht hij niet voldoende betrouwbaar. Hetzelfde geldt voor het verlagen van het waterpeil met de gedachte dat vrijlevende aaltjes dan mee zakken. ‘Bedrijfshygiëne blijft essentieel, vooral om besmettingen met aaltjes te voorkomen. Het is onverstandig om zomaar tarragrond uit te spreiden op percelen waar opnieuw peen wordt geteeld’, aldus de onderzoeker.
Gerichte bestrijding als vierde pijler biedt ook weinig effectieve oplossingen tegen aaltjes. Anaerobe grondontsmetting, zoals het afdekken van percelen met folie of het onder water zetten van de grond, zijn kostbare methoden die niet tegen alle aaltjes effectief zijn. Velum Prime en Nemguard kunnen als bestrijdingsmiddelen worden ingezet. Volgens Visser: ‘Voor beide middelen geldt echter dat er in de teelt van peen weinig ervaring mee is en dat ze geen directe vervangers zijn voor Vydate.’
De onderzoeker concludeert dat worteltelers hun rotatie slim moeten inzetten om de aaltjesdruk te minimaliseren. Voor bepaalde aaltjes, zoals trichodoriden, blijft dit echter een uitdaging en blijken extra maatregelen vaak ineffectief. Visser benadrukt: ‘Een universele aanpak met blijvend effect is het bevorderen van een sterk en vitaal gewas met voldoende weerstand. Dit betekent zaaien onder gunstige omstandigheden voor een gezonde en snelle groei.’
